t d of dt

T, D of DT – een paar handige tips en trucs

Nederlands is niet makkelijk – ook wij van Writgo weten dat. Het is dan ook niet gek dat veel mensen hulp aan anderen vragen om teksten te schrijven of te controleren. Wat hier goed bij kan helpen, is om de taal wat beter te begrijpen zodat jij zelf wat bewuster bent van hoe je schrijft. En daar gaan we je in deze tekst mee op weg helpen. Want er is één aspect aan onze taal waar menigeen mee worstelt: wanneer je t, d of dt gebruikt.

Veel grammatica

Waarom hebben zoveel mensen moeite met het gebruik van t, d of dt? Hier zijn meerdere redenen voor. De eerste is natuurlijk dat je aan de klank nooit hoort of een woord eindigt op een t, d of dt. Een andere reden is dat veel werkwoorden op meerdere manieren geschreven kan worden, maar per schrijfwijze anders worden gebruikt; ‘betekend’ en ‘betekent’ zijn allebei legitieme woorden, maar je gebruikt ze altijd in andere situaties.

Dit heeft te maken met de grammaticale regels die we hebben in de Nederlandse taal. Deze regels worden behandeld in een andere blog, want deze zijn belangrijk om te snappen en toe te kunnen passen. Echter, als je een tekst schrijft, heb je niet altijd de tijd en gelegenheid om deze regels uit je geheugen op te graven en toe te passen. Daarom gaan we je in dit artikel helpen een paar tips en trucs te gebruiken.

Bij deze tips is het altijd zaak om in je hoofd te houden dat Nederlands een complexe taal is en veel uitzonderingen bevat; dus ook met onze tips kan je er nog wel eens naast zitten. Toch kan je ermee zorgen dat je 9/10 keer voorkomt dat je de verkeerde werkwoordsvorm gebruikt. Wil je altíjd garantie dat je t, d of dt goed gebruikt? Dan is het zaak dat je de regels van werkwoordspelling goed leert.

Tip 1: geloof niet altijd de d of dt check

De eerste tip is helaas een tip die dingen wat lastiger voor je kan maken. Want als jij een tekst schrijft in bijvoorbeeld Microsoft Word, of een spelling- en grammaticacheck van het internet gebruikt, zal je merken dat je vaak ook gekleurde lijntjes onder je werkwoorden krijgt als de controle denkt dat je er een fout in gemaakt hebt.

Deze controle kan erg helpen om je tekst te verbeteren, maar helaas kan je deze niet gebruiken als definitief uitgangspunt; de d of dt checker is namelijk niet altijd correct. Hoe komt dit? Wel, stel dat je schrijft ‘je betekend veel voor me’, dan zullen de meeste spellingcontroles níet zeggen dat ‘betekend’ fout is in deze zin. Want qua spelling bestaat ‘betekend’ met een d, en dus zal de spellingchecker het woord als ‘goed’ herkennen. Echter, ‘betekent’ hoort in deze zin met een t geschreven te worden. Dus hoewel je technisch gezien wel een bestaand woord hebt geschreven, wordt het niet altijd goed gecheckt op d of dt-gebruik.

Sommige grammaticacontroleprogramma’s zijn echter slimmer en zullen wél herkennen dat ‘jij betekend’ fout is en dat het ‘jij betekent’ moet zijn. Maar dan nog wordt er niet altijd goed aangegeven wanneer d of dt gebruikt moet worden. Neem dit voorbeeld:

‘Ik vind je leuk.’

‘Jij vindt mij leuk.’

‘Vind je mij leuk?’

Al deze zinnen zijn goed. We hanteren namelijk de volgende regels (op z’n eenvoudigst uitgelegd en uitzonderingen niet meegerekend):

– Bij tegenwoordige tijd schrijf je bij ‘jij’, ‘u’, ‘hij’, ‘zij en ‘het’ de ik-vorm + t
(hij loop-t, zij werk-t, jij bepaal t, het word-t, u pak-t)

– Komt het werkwoord vóór ‘jij’, dan schrijf je deze t niet
(loop jij, werk jij, bepaal jij, word jij, pak jij)

Met deze regels in acht, zal de d of dt checker de voorbeeldzinnen zien én goedkeuren. Maar omdat het programma deze regels ingeprogrammeerd heeft, keurt hij de volgende zin ook goed:

‘Vind je moeder mij leuk?’

We hebben geleerd dat als het werkwoord vóór ‘je’ komt, je de t niet schrijft. Maar in bovenstaande voorbeeldzin is het niet ‘je’ die iets vindt, maar is het ‘je moeder’ – oftewel: zij. Hoe de zin wél zou moeten, is volgt:

‘Vindt je moeder mij leuk?’

Misschien is het nog lastig te volgen, maar het komt erop neer dat de spellingchecker sommige fouten niet corrigeert omdat hij bepaalde grammaticaregels en patronen herkent. Hier hoor je rekening mee te houden als je een tekst op d of dt checkt met een digitale controle; deze kloppen niet altijd.

Tip 2: vervang het werkwoord

Goed, als de digitale grammaticacheck niet alle fouten eruit filtert, hoe kan je dan weten wat wél goed is, of juist niet? Zonder je alle grammaticaregels uit te leggen, hebben wij één tip die je sneller kan helpen de juiste woorden te gebruiken. Deze tip zal vooral goed van pas kunnen komen wanneer je twijfelt of je woorden als vind of word met d of dt schrijft. Let op: deze tip geldt alléén over werkwoorden die je in de tegenwoordige tijd schrijft.

Het is bij het ene werkwoord lastiger te bepalen wanneer d of dt gebruikt wordt dan bij anderen. Voor de meeste Nederlandssprekende mensen zal het bijvoorbeeld minder snel gebeuren dat ze woorden als ‘loopt’ of ‘werkt’ schrijven met een d. Dit komt doordat we van jongs af aan geleerd hebben dat je deze woorden maar op één manier kan schrijven (je kan ‘vind’ met d of dt schrijven, maar ‘loopt’ alleen met t). Hier gaan we gebruik van maken bij deze tip. Let dus wel op dat je deze truc alleen kan toepassen als je van jongs af aan Nederlands geleerd hebt en geen last hebt van leesproblemen zoals dyslexie. Je dient namelijk een gevoel te hebben voor hoe je de “makkelijke” werkwoorden schrijft.

De truc werkt als volgt: als jij een zin in de tegenwoordige tijd schrijft, en je twijfelt of je bijvoorbeeld ‘wordt’ met d of dt schrijft, of dat je ‘vind’ met d of dt schrijft, verander dan het werkwoord in de zin met een van deze werkwoorden: ‘lopen’, werken’ of ‘pakken’. Kijk eens mee wat er dan gebeurt.

“Hij vind/vindt dat mooi.”

“Hij werkt (dat mooi).”

Hoewel de zin niet echt logisch is, zie je wel gelijk dat er een t wordt geplakt aan het woord “werk”. De regel voor deze truc is dan ook om vervolgens hetzelfde te doen bij het werkwoord waarvan je niet weet wanneer je een d of dt gebruikt.  Dus:

“Hij werkt

“Hij vindt

Laten we er nog eentje proberen.

Word/wordt jij snel boos?”

‘Worden’ vervagen we nu voor ‘lopen’.

Loop jij (snel boos)?”

Er komt geen extra t bij “loop”, dus:

Word jij snel boos?” zonder t is goed.

Nog een laatste voorbeeld voor de zekerheid?

Bied/biedt u mij korting?”

Pakt u (…)?”

Er komt wel een extra t bij “pak”, dus:

Biedt u mij korting?” met dt is goed.

Tip 3: tt = t

Maar hoe bepaalt een schrijver nou of je een t of d gebruikt bij woorden die zowel met een t als d geschreven kunnen worden? Denk hierbij aan woorden als ‘bepalen’, ‘veranderen’ of ‘geloven’? Je spellingcontrole zal al deze verschillende spelwijzen goedkeuren:

bepaald, bepaalt, veranderd, verandert, geloofd, gelooft

Hoe weet je nou welke je wanneer moet gebruiken? Daarvoor hebben we nog een tip: in tt (tegenwoordige tijd) komt er bij ‘jij’, ‘u’, ‘hij’, ‘zij’ en ‘het’ nooit een d bij. Of, korter gezegd:

Op de ik-vorm na, kan een werkwoord in tt nooit op een d eindigen.

Deze tip overlapt dus met de vorige; net als bij de werkwoorden ‘lopen’, ‘werken’ en ‘pakken’ komt er simpelweg altijd een t bij als je in de tegenwoordige tijd schrijft.

Tip 4: voltooid deelwoord

Wanneer schrijf je woorden als ‘bepaald’, ‘veranderd’ en ‘geloofd’ dan met een d? Dit gebeurt alleen bij voltooid deelwoorden. Dat zijn werkwoordsvormen als “ik heb gedaan”, “jij bent geweest”, “het heeft gewerkt”, “het is verwoest” en “wij werden belast”.

Zoals je in de voorbeelden leest, zie je dat er vele verschillende letters zijn waarop deze woorden eindigen. Waar we ons op gaan focussen, zijn echter de woorden die eindigen op een d of t, zoals:

‘ik heb bepaald’, ‘jij hebt gewerkt’, ‘zij is veranderd’, ‘hij heeft gepakt’ en ‘wij hebben geloofd’.

Om er in deze gevallen achter te komen of het woord eindigt op een d of t, hebben wij de volgende tip:

Maak er verleden tijd van; oftewel: plak er een e achter. Klinkt er een d? Dan wordt het een d. Klinkt er een t? Dan wordt het een t.

Voorbeeld:

“Ik heb geloof…”

“Ik geloofde

Dus:

“Ik heb geloofd

Ander voorbeeld:

“Zij heeft gewerk…”

“Zij werkte

Dus:

“Zij heeft gewerkt

De exacte werkwoordspellingsregel die hierbij hoort, is die van ’t kofschip. Kort gezegd houdt deze regel in dat als je het hele werkwoord neemt (bijv. ‘bepalen’), daar -en van afhaalt (dus ‘bepal’) en daar de laatste letter uiteindelijk van opzoekt in het woord ’t kofschip. Staat-ie erin? Dan krijgt je een t. Zo niet, dan wordt het een d (de laatste letter van ‘bepal’ is de l, deze staat niet in ’t kofschip, dus het voltooid deelwoord wordt ‘heeft bepaald).

Let op: veel mensen proberen zowel deze tip als de regel van ‘t kofschip uit bij de tegenwoordige tijd, maar dit moet dus absoluut niet! Dit is vaak waarom er ‘zij bepaald’ geschreven wordt, terwijl dat hartstikke fout is. Pas deze tips dus alléén toe bij voltooid deelwoorden.

Tip 5: leer de werkwoordspelling

Zoals we al eerder aangaven, zijn dit slechts tips die je in kan zetten als je tijdens het schrijven nou even niet meer weet wanneer je d of dt, of misschien zelfs t moet schrijven. Zit je midden in een zin en vraag je je af of het nou word met d of dt is? Verander het werkwoord dan in je hoofd naar ‘werken’ en je hebt al snel een antwoord.

Maar dat is dan ook puur waar deze tips voor gelden; als ezelsbruggetjes om de dt-fouten vaker te voorkomen. Wil je dit zonder ezelsbruggetjes doen, of wil je gewoon weten waaróm je een d of dt schrijft, dan heb je aan deze tips zeker niet genoeg. Nederlands is een prachtige taal en als schrijver wil je deze natuurlijk kunnen beheersen. Om te zorgen dat je nooit meer in twijfel bent over of je vind met d of dt schrijft, raden wij dan ook van harte aan om je meer te verdiepen in de regels van Nederlandse werkwoordspelling.

Vergelijkbare berichten